Doeners: alweer een nieuwe doelgroep in de kerk?

Auteur: Dr. M. J. Kater

Het lijkt erop dat er weer een nieuw fenomeen ontdekt is. Doeners in de kerk. Hebben we een blinde vlek ontdekt in het oog van de kerk, waardoor ze bepaalde jongeren en ouderen niet in zicht had?

In dit artikel gaat het allereerst om de Bijbels- theologische waardering van doen(ers). Vervolgens hoe we op verantwoorde wijze rekening kunnen houden met ‘doeners’, waarbij we ons bewust dienen te zijn van de (on)mogelijkheden binnen de grote diversiteit van een gemeente.

Enkele reflectoren

1. Geen tegenstelling maken waar die niet is.

De tegenstelling tussen ‘denken en doen’ of ‘woorden en daden’ blijkt in de Schrift geen legitimatie te krijgen. Een denken in tegenstellingen op dit punt wijst juist op de zondige gebrokenheid van ons bestaan. We zijn geen mensen meer uit één stuk als het gaat om het ‘doen’ van Gods wil. Het beeld van God – mens ‘uit één stuk’ – is kapot. Zo kan de mens het tegenbeeld van God vertonen. Godsdienstige mensen kunnen wel ‘ja’ zeggen en toch ’nee’ doen (Matth. 21: 28-32). De leus ‘geen woorden, maar daden’ blijkt recht van spreken te hebben. Het blijft opvallend dat de taal van het Oude Testament woorden en daden tot uitdrukking kan brengen met één woord: dabar. Gods woorden zijn daden en Zijn doen komt helemaal overeen met Zijn denken.

Het is helaas ook waar dat onder christenen er soms toch een te grote waardering is voor ons denken en een te lage waardering voor het doen. We gebruiken wel het drietal hoofd, hart en handen om aan te geven dat het leven van een christen een ‘totaalpakket’ omvat. Maar het lijkt er soms op dat we meer op hebben met de verbinding hoofd-hart dan met de verbinding handen-hart. Ook in de gereformeerde gezindte wordt de noeste handarbeid minder (h)erkend als het werken in Gods Koninkrijk. Toch wijst de scheppingsopdracht ‘bebouwen en bewaren’ (Gen. 2: 15) erop dat de handen uit de mouwen moeten worden gestoken. Dit blijkt ook zo te zijn na de zondeval, al brengt dan de handenarbeid de nodige schrammen en het nodige zweet met zich mee. Deze opdracht van bewerken en onderhouden kan echter alleen uitgevoerd worden in de weg van het nadenken over wat de Schepper gezegd heeft. Planmatig werken, een ‘doen’ (handen) verbonden met ‘denken’ (hoofd), doet recht aan de wil van onze God. Jezus zelf doet daar bijvoorbeeld een beroep op als het gaat over het volgen van Hem. Je kunt ook onbezonnen ‘de handen uit de mouwen steken’ met als resultaat een toren die nooit voltooid wordt (Luk. 14: 26- 30).


2. Een ‘doener’ en zijn daden.

We hebben allemaal de neiging om de zaken naar onze hand te zetten. Een ‘doener’ zou opgelucht adem kunnen halen. Eindelijk krijgen ze eens door dat: geloven=doen. Het geloof zonder de werken is immers dood (Jak. 3: 14-26). Dat laten we staan, maar je kunt die redernering niet zomaar omdraaien en zeggen dat uit de werken het geloof blijkt. Dat hangt helemaal af van de bron van deze daden(drang). Dan kom je terecht bij een ander beeld: de vruchten waaruit men de boom kent. Laat ik maar dicht bij huis blijven. Misschien is het juist voor dienaren van het Woord wel een verzoeking om een ‘doener in de kerk’ te zijn. Op het eerste gezicht levert een dag biddend het Woord onderzoeken niets tastbaars op. Niet meer dan de aantekeningen waarin de bijzonderheden van de tekst vermeld staan vanuit de exegese, de punten waar je tijdens de meditatie bij bepaald werd en wellicht nog enkele lijnen van toepassing. Veel gekras en weinig wol. Dan levert het ‘doen’ van bezoeken, het ‘meedoen’ in allerlei activiteiten variërend van het koffiedrinken met gemeenteleden, het bijwonen van talloze vergaderingen en het meedoen in diaconale projecten waar je zelf ook je handen uit de mouwen steekt meer op. ‘Onze dominee doet het goed!’. Dat is misschien een compliment dat je in ontvangst kunt nemen, maar het is wel misplaatst. In ieder geval wanneer je aan het ‘doen’ bent geslagen om ‘van de mensen gezien te worden’ (Matth. 6: 1-4). Dan kan de geschiedenis van Martha en Maria ons tot de orde roepen (Luk. 10: 38-42). Maria was geen ‘nietsnut’ en Martha’s druk bezig zijn voor de Heere was geen zuivere liefde.

Welke motieven gaan er schuil achter onze daden? Een ‘doener’ zal zich moeten realiseren dat zijn handen verbonden zijn met zijn hart. Het is een wereld van verschil of we onszelf op de loonlijst hebben bij de Koning van de kerk gezet of dat we het ‘doen’ uit liefde, als een kind. De oudste zoon in de gelijkenis was een echte ‘doener’, maar had geen vaderliefde. Inderdaad, het komt aan op het ‘doen’ van de woorden (Matth. 7: 24-29). Maar ons ‘doen’ is geen middel om onszelf te ontplooien in de kerk. Het ‘doen’ is het gaan in de weg van het ‘kruis’. Dan maken we vieze handen bij klussen waar ieder z’n hoofd de andere kant opdraait. Dat heeft Jezus ons geleerd in het voorbeeld van de voetwassing dat Hij als de Meester nagelaten heeft voor zijn leerlingen: ‘Als u deze dingen weet, zalig bent u als u ze doet’ (Joh. 13: 17). Maar dit voorbeeld van liefde voor ‘doeners in de kerk’ dient samen te gaan met het mediteren over het toonbeeld van liefde: de overgave van de Heiland tot in de kruisdood. Wie daarvan de noodzaak en het nut niet heeft leren inzien, kan wel een schaal water pakken en een handdoek. Toch blijft dat een leeg gebaar of wordt een etalage van ‘kijk mij eens’. De handen uit de mouwen zonder de handen gevouwen leidt tot een moralistisch christendom. Het ‘Zonder Mij kunt u niets doen’ (Joh. 15: 5) is de noodzakelijke verbinding tussen handen en hart.

3. Een ‘denker’ en zijn gedachten

Inmiddels is het tijd om ook een ‘denker’ tot de orde te roepen. Er kwamen trouwens al enkele Bijbelgedeelten ter sprake die wijzen op de noodzaak van het ‘doen’ van de woorden. Eén punt wil ik er nu nadrukkelijk aan toevoegen. Het toeschrijven van een hogere waarde aan onze cognitieve vermogens (verstand, denken) dan aan onze artistieke vermogens (handwerk, kunstwerk) is meer heidens dan Bijbels. Op de achtergrond speelt toch een bepaalde minderwaardigheid mee van het ‘stof’ tegenover de ‘geest’. Grieks denken, zou men kunnen zeggen. In ieder geval is het opvallend dat juist als het gaat om de waarheid kennen het dan in de Bijbel niet slechts om intellectuele kennis gaat. Nee, het kennen van de waarheid is een wandelen in de waarheid. Aan het woord ‘kennen’ is het hart verbonden met het hoofd (liefde!), maar zijn ook de handen (en voeten) verbonden met het hart (het ‘gaan’ in de wegen van de Heere). De regel uit de berijming: ‘Leer mij naar Uw wil te handelen; ik zal dan in uw waarheid wandelen’ (Ps. 86), is nog altijd een treffende vertolking ervan.

Ook wanneer we juist de voorkeur geven aan denken, luisteren en studeren in het kader van ons geloof, dan is het de vraag wat de motieven zijn. Zitten aan de voeten van Jezus, is een plek die zeer aan te bevelen is. Maar ‘doe wel naar mijn woorden, maar niet naar mijn daden’ is een vloek in de kerk en voor de kerk. Ook ons denken dient bekeerd te worden (2 Kor. 10: 5): ‘Want wij breken de valse redeneringen af en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en wij nemen elke gedachte gevangen om die te brengen tot gehoorzaamheid aan Christus.’ Dan gaan we de leer van het kruis ook beoefenen in het leven onder het kruis. Het toonbeeld van de liefde wordt voor ons het voorbeeld van de liefde (Joh. 13).

Enkele richtingaanwijzers

Als we vervolgens nadenken over de vraag hoe we concreet rekening kunnen houden met ‘doeners in de kerk’ dan spits ik dat toe op twee terreinen. Allereerst op het brede terrein van het dienen in de gemeente. Vervolgens op de dienst van het Woord.

1. Het werkwoord dienen is een vertaling van het werkwoord dat wij herkennen in het woord diaconie. Geen kerk zonder diensten. Nu moeten we inderdaad niet de vergissing begaan dat juist ‘doeners’ geschikt zijn voor het diakenambt, omdat zij nu eenmaal graag de handen uit de mouwen steken. De diakenen zijn er immers om de gemeente toe te rusten tot dienstbetoon. Het gaat erom dat er sprake mag zijn van een diaconale gemeente. Akkoord, maar laten we er wel voor waken dat we niet van stuurboord helemaal gaan overhellen naar bakboord. Dan is het gevaar van kapseizen niet minder groot. Er was de opvatting dat diakenen zelf dé ‘doeners’ bij uitstek zijn, terwijl de gemeente er dan bij staat te kijken met de handen in de zakken. Nu dreigen we door te slaan naar een opvatting over de diakenen als zouden zij zelf alleen maar de ‘denkers’ zijn die anderen aansporen tot het ‘doen’.

Maar ‘doeners in de kerk’ kunnen uitstekend ingeschakeld worden bij de diaconale taken van een gemeente. Er zijn goed functionerende hulpdiensten binnen gemeenten die dankbaar gebruikmaken van de gaven van een paar gouden handen. Als het gaat om jonge ‘doeners’ dan kunnen die juist rond het uitvoeren van een programma van een jeugdweekend, een zendingsdag of gemeentedag prachtig ingeschakeld worden. Het is immers van levensbelang dat ze merken dat ze een plek hebben in de gemeente en er niet maar een beetje bijhangen. Onderzoeken laten ons weten dat voor ‘doeners’ het sociale leven sterker een rol speelt dan bij de meeste ‘denkers’. Ze zijn gevoelig voor sfeer, gezelligheid, een hand op de schouder of juist een harde stomp ertegen, en ga zo maar door. Het lastige bij dit soort dingen is natuurlijk dat je hart ermee verbonden moet zijn. Je kunt dit allemaal in een beleidsplan zetten, maar die schouderklop komt echt niet over als we dat zonodig eens moeten gaan doen. Arme jongeren die opgewacht worden door iemand die iets gelezen heeft over ‘doeners in de kerk’ en vervolgens ze opwacht in de hal van de kerk. Hij heeft goed begrepen dat het op echtheid (authenticiteit) aankomt. Nou, daar staat hij me toch authentiek te doen … Geen mensen die in dit opzicht zo goed de taal van het hart kennen dan juist de ‘doeners in de kerk’!

2. Geen kerk zonder de dienst van het Woord. Wat de catechese betreft is er meer oog gekomen voor de diversiteit binnen een groep catechisanten. Een goede relatie met de jongeren is de eerste en noodzakelijke voorwaarde in het omgaan met de ‘doeners’. Vervolgens is het ook van belang dat niet alles gericht is op kennisoverdracht via het verstand, maar zeker ook via een indringend appel op het hart. Laat de catecheet maar laten merken dat hij het meent wat hij zegt. En wees ook maar persoonlijk in het aangeven van je eigen verzet tegen God en van de overgave aan God. En nog een heel vreemde aansporing: ‘Hou van ze’! Ik noemde het een ‘vreemde’ aansporing, omdat verplicht liefhebben een lastige activiteit is. Verder denk ik dat ons taalgebruik gewoon eenvoudig mag zijn. Ten slotte nog enkele opmerkingen over de eredienst en dan vooral over wat het moeilijkste onderdeel is voor ‘doeners’, de prediking. Laat het dat alstublieft een gebeuren zijn, waarin een gesprek gaande is. Laat de prediking iets hebben van een dialoog, in vraag en antwoord van Godswege, door middel van bevel en belofte. Preken is onderwijzen, maar dat is meer dan informatieoverdracht. Dus juist in de prediking mag er ook ruimte zijn voor de taal van het hart. Verder denkt een ‘doener’ in (voor)beelden. Je daarin oefenen, is dus een appel dat iedere ‘doener’ op de dienaar van het Woord doet.

Dr. M.J. Kater doceert aan de TUA

Bron: De Wekker, 25-4-2014