Doeners vragen om actie!

Auteur: Martin Zeeman (jeugdwerkadviseur HGJB)

De laatste tijd wordt er veel gesproken en geschreven over ‘doeners in de kerk’. Maar alleen met woorden komen we er niet: doeners vragen om actie. Dat betekent niet dat voortaan alles anders moet. Maar wel dat er veel gedaan kan worden om denkers, doeners, dromers en beslissers aan te spreken. En dat er alles aan gedaan moet worden om hen te bereiken met het Evangelie. Daarom een aantal concrete handreikingen om aan de slag te gaan met doeners in de kerk.

1. Integrale clubavond

De meeste clubs houden een eenvoudige structuur aan:

- De eerste helft van de avond bestaat uit een inhoudelijk programma, met elementen als opening, bidden, zingen, Bijbellezen, Bijbelstudie en/of bespreking (al dan niet in groepjes).

- De tweede helft van de avond bestaat uit ontspanning door het maken van een knutselwerkje, het spelen van een spel of gewoon gezellig wat te drinken en te kletsen. Een dergelijke structuur is voor doeners niet erg aansprekend. Waar ze naar uitkijken, is het gedeelte na de pauze. “Dan wordt het leuk!”, zeggen ze soms. Het eerste deel is vooral saai, een vervelende hobbel die moet worden genomen, vóór het leuk wordt. Maar het kan ook anders. Bouw je club bijvoorbeeld om naar de volgende opzet:

- Een binnenkomer, waardoor de kinderen niet gelijk stil op hun stoel hoeven te zitten, maar eerst even hun energie kwijt kunnen. Ook tieners hebben vaak een drukke dag achter de rug voor ze naar de club gaan.

- Een introductie, waarbij eerst het thema wordt doordacht aan de hand van een werkvorm. Hier is het van belang dat de jongeren ontdekken dat het thema van die keer ook voor hen relevant is.  Soms komen er al vragen los, of leg je een duidelijk verband tussen het thema en het dagelijks leven.

- Het Bijbelverhaal of de Bijbelstudie, waarbij je samen in de Bijbel op zoek gaat naar antwoorden. Het stellen van vragen helpt daarbij om het Bijbelgedeelte te begrijpen én om kinderen en tieners erbij te betrekken.

- De verwerking, wat niet zomaar een onderdeel van de club is. In de verwerking mag de toepassing een duidelijke plaats krijgen. Pas je verwerking aan op het Bijbelverhaal of het thema dat centraal staat. Op deze manier wordt de clubmiddag of –avond geen tweeledig avontuur, maar een integraal geheel van onderdelen die allemaal gericht zijn op het doel of de boodschap die je wil meegeven.

2. Hoofd – hart – handen

De club is niet alleen bedoeld om kennis over te dragen of om vriendschappen te smeden, maar ook om kinderen en tieners aan de voeten van de Heere Jezus te brengen zodat ze Hem (beter) leren kennen. Wees dus niet alleen gericht op feiten leren (hoofd), maar ook op het opdoen van

ervaringen (hart) en het oefenen van vaardigheden (handen). Stel aan het begin van elk winterseizoen een aantal doelen op, met als achtergrondgedachte: wat willen we de kinderen van deze club in dit seizoen meegeven? Welke kennis, ervaringen en vaardigheden hebben ze volgend jaar in hun bagage? Je wilt bijvoorbeeld dat ze:

- bepaalde Bijbelverhalen kennen (hoofd)

- zich gezien en geliefd voelen (hart)

- persoonlijk bidden voor anderen (handen)

Als je doelen formuleert op deze drie niveaus, voorkom je dat je alleen gericht bent op één van deze.

3. De club als leer- én oefenplek

Tieners en jongeren leren ook als ze medeverantwoordelijk worden gemaakt voor het functioneren van de club. Daarmee wordt het nog meer hun eigen club: ze hebben immers zelf invloed op wat er gedaan wordt en hoe het gedaan wordt. Verantwoordelijkheid geven heeft alles te maken met vertrouwen. Stimuleer jongeren en wees niet bang voor fouten. Ieder mens leert met vallen en opstaan. De club wordt echt een oefenplek als er ruimte is om (van elkaar) te leren. Geef ze bijvoorbeeld inspraak bij het uitkiezen van de thema’s die worden behandeld. En laat ze aangeven bij welke thema’s ze in de voorbereiding willen meewerken. Denk ook aan andere taken die je kunt verdelen en waarin gerouleerd kan worden, zoals het inschenken van drinken, het regelen van iets lekkers of het helpen organiseren van een activiteit.

4. Het talige voorbij

In de kerk zijn we heel erg gericht op woorden, zowel in de kerkdienst als tijdens de catechese. Niet iedereen is in staat zich goed in woorden uit te drukken. Stel daarom niet zomaar een vraag aan een groep tieners, waarbij je wacht op hun antwoord. Maar help ze op weg met een aantal afbeeldingen en vraag bijvoorbeeld: “Welke afbeelding drukt voor jou iets uit van het werk van de Heilige Geest?” Veel tieners vinden het moeilijk om iets te vertellen over (het werk van) de Heilige Geest. Door de vraag of mogelijke antwoorden te visualiseren, wordt het veel concreter. Als je ze allemaal een afbeelding laat kiezen, is er altijd aanleiding voor gesprek, omdat er een reden is waarom ze juist die hebben gepakt.

5. Learning by doing

Ten slotte: wat geloven inhoudt, ontdek je óók door niet alleen te luisteren naar wat in de Bijbel staat, maar ook door het te doen. Het jeugdwerk is bijvoorbeeld een heel geschikte plek om bezig te zijn rondom diaconaat. Een potgrond- of stroopwafelactie voor de zending kent iedereen wel. Maar ook dichterbij kun je aan de slag, door bijvoorbeeld een keer te helpen bij de voedselbank. Of door een spelletjesmiddag te organiseren in het bejaardentehuis. Of door brieven te schrijven aan gevangenen. Probeer zo bij verschillende onderwerpen een activiteit te verzinnen. Om te voorkomen dat je alleen met elkaar over een thema praat.

Gaat het over politiek? Vraag een rondleiding aan bij de Tweede Kamer.

Het belang van stille tijd? Ga het met elkaar oefenen.

Het gevaar van de islam? Nodig een groep moslims uit en kies ‘speeddaten’ als werkvorm.

Rentmeesterschap? Maak een bos- of strandwandeling en bespreek stellingen in tweetallen.

Inzetten voor de gemeente? Organiseer een klusjesavond.

De mogelijkheden zijn eindeloos. Wees niet bang om de dingen eens anders te doen dan je gewend bent. Je zult snel het verschil merken, en de jongeren ook. Doeners én denkers.