Veel kinderen lopen vast in kerk

Auteur: Sandor van Leeuwen

Club en catechisatie zijn meestal, net als scholen, georganiseerd op basis van leeftijd, niet op grond van kwaliteit. Het trieste gevolg is dat veel kinderen en jongeren vastlopen in de kerk.

Het Nederlandse onderwijssysteem heeft veel weg van een oude letterkast, zoals drukkers die vroeger gebruikten. De lades van de kast waren gevuld met loden letters en iedere la bevatte een ander lettertype; de letters verdeeld over tientallen vakjes. In de kast van het Nederlandse onderwijs zijn de letters leerlingen, de vakjes niveaus en stoornissen. Aan het begin van hun middelbare schooltijd belanden leerlingen in een bepaald vakje: de ene leerling in het vmbo-vakje, de andere in dat van het vwo. In die niveaus zijn aparte vakjes voor leerlingen met een vorm van autisme, ADD, ADHD, CD, DCD, MCDD, NLD, ODD of PDD-NOS. En diezelfde leerling kan ook belanden in het vakje dyscalculie of dyslexie. Gemakshalve wordt op een deel van die vakjes het label ‘doener’ geplakt en op een ander deel de sticker ‘denker’. Hoewel deze manier van werken voordelen heeft, kleven er ook nadelen aan. Eén van de grootste nadelen is het gebrek aan uitdaging. Een vmbo-leerling die uitstekend presteert bij wiskunde, zou wellicht voor dat vak examen kunnen doen op havo- of vwo-niveau. Maar waarom zou hij?

Verhitte discussies

Club en catechisatie zijn meestal op een soortgelijke manier georganiseerd: op basis van leeftijd, niet op grond van kwaliteit. Een uitzondering vormt de groep mensen met een verstandelijke beperking: het komt regelmatig voor dat tienerclubs een twintiger met het syndroom van Down toelaten. En veel gemeenten hebben een vorm van gehandicaptencatechisatie, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten of organisaties.

De hoofdlijn in de kerk blijft niettemin: een kind van tien hoort op de -12, een tiener op de +12 en een adolescent op de +16. In het jeugdwerk worden nu en dan verhitte discussies gevoerd tussen leidinggevenden over de vraag of een hoogbegaafd kind van tien naar de +12 mag of niet. En niet zelden is de uitkomst dat het “voor de duidelijkheid” beter is om geen uitzondering te maken, “want straks wil iedereen naar een andere groep”. Ook bij de catechisatie is een dergelijke aanpak geen uitzondering: regel is regel, gelijke monniken, gelijke kappen.

Wie echter met andere ogen kijkt naar het kind en probeert te ontdekken wat de kwaliteiten zijn van het kind, loopt dan ook vast in die letterbak van klas en kerk. Erger nog: maar al te vaak komt het kind zelf klem te zitten. Voor de vmbo’er met een wiskundeknobbel is een hoger niveau organisatorisch onbereikbaar. Voor het meisje van 17, dat liever tekent dan discussieert, is de tienerclub een gepasseerd station. En voor de slimme doener zijn de inleidingen op de vereniging niet boeiend en de preken soms zelfs slaapverwekkend.

Veel vragen

Dat is een principieel probleem – tenminste, dat zou het voor reformatorische scholen en kerken moeten zijn. Wie gelooft dat mensen zijn geschapen met het doel God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf, mag veel vragen van jongeren. Maar dat betekent niet dat van iedereen hetzelfde mag worden gevraagd. God geeft de boer en de bouwvakker verstand om hun werk goed te doen, leren Jesaja 28: 26 en Exodus 36: 1. Calvijn slaat de spijker op de kop als hij schrijft dat God in de verschillende kwaliteiten van mensen Zijn “bijzondere genade” laat blinken (Institutie II.2.14 en 17). “Verder is het ook zo dat God bijzondere geestvermogens verleent die passen bij de zaak waartoe ieder persoonlijk geroepen wordt.” De reformator sluit daarin aan bij Paulus, die in 1 Korinthe 7: 17 schrijft dat ieder mens een goddelijke roeping en goddelijke gaven heeft ontvangen. Wie de lat voor een leerling te hoog of te laag legt, doet dus Schepper en schepsel tekort.

Eén van de mogelijke oorzaken voor dit probleem is de overwaardering van kennis in de gereformeerde gezindte. Teksten als ‘Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is’ (Hosea 4: 6) moeten dat accent rechtvaardigen. Maar kennis in de Bijbel is niet hetzelfde als kennis met het hoofd. Daarom is de tekst uit Hosea niet gericht tegen slechte Bijbelkennis, maar tegen een slecht leven zonder God!

Bijbelse didactiek is gericht op de praktijk. In Deuteronomium 6 vraagt Mozes niet om één uurtje per week catechisatie, maar om 24-uurs onderwijs van godvrezende opvoeders. Het volk van Israël gaf de jongeren geen gedenkboek bij de doortocht door de Jordaan, maar legde gedenkstenen als symbool. Concreter kan het niet.

Maar al te vaak sturen ambtsdragers jongeren met een kluitje kennis het riet in en wordt het hart niet bereikt. Voor klas en kerk geldt echter dat kennisoverdracht niet voldoende is. Hoe het anders kan, wordt door Ewald Mackay treffend beschreven in zijn Een venster op de hemel. Christelijk leraarschap in de schoolvakken.

Speciaal basisonderwijs

Het zou goed zijn als scholen en met name ook kerken zich zouden bezinnen op een pedagogisch-didactische benadering die de individuele jongere centraal stelt. Scholen kunnen wat dat betreft leren van het speciaal basisonderwijs, waar een leerling uit groep vier lees- en taallessen kan volgen in groep zes, meedoet met rekenen in groep drie en de overige lessen in zijn eigen klas bijwoont.

Ook kerken zouden meer rekening kunnen houden met persoonlijke omstandigheden. Op die manier zou een jongen die niets heeft met figuurzagen, maar wel met tekenen op een tienerclub toch aan de slag kunnen.

Op een andere manier kan in de preek worden afgestemd op de verschillende doelgroepen. Een gemeentelid dat vijf dagen in de week op de steiger staat, zal niet veel hebben met een ingewikkelde verklaring van een grondwoord, terwijl een student theologie die semantische discussie waarschijnlijk meer zal kunnen waarderen. Dat betekent dat in een preek niet alleen moet worden ‘gesepareerd’ tussen gelovigen en niet-gelovigen, tussen beginnelingen en gevorderden in de genade, maar ook gedifferentieerd tussen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, doeners en denkers.

Makkelijk inschakelen

Het is overigens goed ook onderscheid te maken tussen doeners en doeners. Ook op de havo en het vwo zijn leerlingen te vinden die liever leren door doen dan door denken. En zulke ‘slimme doeners’ vervelen zich in een catechisatieles waar zij niets nieuws horen of op een verenigingsavond die alleen draait om discussie. Tegelijkertijd zijn deze jongeren makkelijk in te schakelen. Waarom zou een catecheet geen gebruik maken van de kwaliteiten van een jongen door hem een inleiding te laten houden over het onderwerp dat die avond besproken moet worden? Waarom moet zo’n meisje naar de vereniging als zij net zo goed leiding kan geven aan een kinderclub? Maar al te vaak wordt in de kerk de verantwoordelijkheid van individuele leden weggenomen door de kerkenraad. Doeners kunnen in zo’n situatie wegkwijnen. Denkers trouwens ook. De consequenti van Calvijns uitspraak dat gaven een indicatie van een bepaalde roeping zijn, is dat die gaven tegelijk een oproep zijn om te worden ingezet. Wat dat betreft, is het opvallend dat Jezus geen woorden, maar daden noemt als kenmerk van een christelijke levensstijl als Hij spreekt over het laatste oordeel.

Eén lichaam

Een persoonlijke benadering bindt jongeren aan de kerk. Zoals leerlingen het waarderen als een docent persoonlijke dingen deelt met een klas, waarderen catechisanten het als een ouderling in zijn hart laat kijken. Omgekeerd moet die ouderling dan wel de moeite willen nemen in het hart van zijn catechisanten te kijken. Een catecheet die niet verder komt dan het noemen van de doopnamen bij het noteren van aan- en afwezige jongeren, hoeft niet verbaasd te zijn dat zijn leerlingen hem niet serieus nemen. Maar wie verder kijkt en vooral luistert, weet wat er leeft onder de jongeren van de gemeenten. En vanuit die persoonlijke kennis kan een ambtsdrager jongeren proberen te betrekken bij de kerk.

In zijn kersttoespraak zei koning Willem-Alexander: “We hebben elkaar nodig, sterker dan we vaak zelf beseffen. Ieders gaven en vaardigheden zijn waardevol en belangrijk.” Dat geldt in het Koninkrijk der Nederlanden, dat geldt des te meer in het geestelijke koninkrijk. Zijn denkers het hoofd, doeners zijn de handen en de voeten van de kerk. En nu zijn er wel veel leden, zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 12, maar er is slechts één lichaam.

De auteur is docent Nederlands en teamondersteuner op het Wartburg College in Rotterdam en voormalig jeugdwerkadviseur van de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten.